Inhoudstafel

Optimale bemesting

Stikstofbemesting

De stikstofbenutting optimaliseren en de uitspoeling van nitraat tegengaan, dat is een win-win! Met deze tips en goede landbouwpraktijken ben je al een heel eind op weg.

Vóór de teelt

Bodemkwaliteit

Een goede bodemkwaliteit is cruciaal voor een efficiënte opname van nutriënten. De bodemkwaliteit wordt bepaald door fysische, chemische en biologische componenten. De fysische eigenschappen van een bodem bepalen de water- en luchthuishouding en zorgen enerzijds voor voldoende water en nutriënten in de wortelomgeving en anderzijds voor voldoende zuurstof zodat het wortelweefsel kan functioneren en groeien. De chemische component slaat op de evenwichtige voorraad mineralen in de wortelzone en een optimale zuurtegraad (pH) die de opname van mineralen mee helpt bepalen. De biologische vruchtbaarheid slaat op macro- en micro-organismen die aanwezig zijn in de bodem. Een divers bodemleven zorgt voor de vrijstelling van nutriënten uit organisch materiaal, maar ook voor een gezondere bodem, waardoor bijvoorbeeld de wortelgroei gestimuleerd wordt.

De fysische, chemische en biologische eigenschappen van een bodem hangen sterk met elkaar samen. De water- en luchthuishouding bepaalt ook het bodemleven, die op zijn beurt de chemische vruchtbaarheid verhoogt door de vrijstelling van mineralen.

Gezonde planten in een gezonde bodem. Op de site Nematoden  kan je een brede waaier aan informatie over het aardappelcysteaaltje (Globodera) en het wortelknobbelaaltje (Meloidogyne) terugvinden. Er wordt niet alleen stil gestaan bij wat deze aaltjes zijn, maar ook bij het belang, de bestrijding en de wetgeving die voor deze aaltjes van toepassing is.

Om zowel goede fysische, chemische als biologische eigenschappen te stimuleren in de bodem is organische stof de sleutel. Het zorgt ervoor dat water en voedingsstoffen beter vastgehouden worden in de bodem. Het verhoogt ook de aanwezigheid van bodemleven en de juiste verhouding tussen schimmels en bacteriën, wat dan weer zorgt voor een stabiele binding van bodemdeeltjes. Die betere bodemsamenstelling zal het dichtslibbben of afspoelen van vruchtbare grond tegengaan en wortelgroei stimuleren.

Zorg dus voor een goede bodemkwaliteit met de correcte fysische, chemische en biologische eigenschappen.

Optimale pH

Om te weten welke stikstofbemesting past bij je bodem en plant, is ook de zuurtegraad (pH) van de bodem een belangrijk element. Die bepaalt immers welke voedingsstoffen de plant zal kunnen opnemen. Jammer genoeg kampt bijna de helft van het akkerbouwareaal in Vlaanderen met een te lage pH en kunnen nutriënten hier dus niet optimaal opgenomen worden.

Gelukkig zijn er manieren om die zuurtegraad te optimaliseren. Een regelmatige aanvoer van kalkhoudende meststoffen (calciumcarbonaat) kan een groot verschil maken. Een oude wetmatigheid uit de bemestingsleer (de wet van Liebig)  stelt dat het minst beschikbare nutriënt bepalend is voor zowel de opbrengstkwantiteit als -kwaliteit. Een nutriënt toevoegen dat al ruimschoots aanwezig is (bv. stikstof), terwijl er voor andere nutriënten (of sporenelementen) tekorten zijn, zal dus niet zorgen voor het gewenste effect. Verder is ook de interactie en het evenwicht tussen nutriënten belangrijk: dit kan positief zijn, bv. fosfor stimuleert de wortelgroei en dus de opname van water en andere nutriënten, maar ook negatief, wanneer een te grote aanwezigheid van kalium de opname van magnesium tegengaat.

Voor aardappelen is een pH of zuurtegraad tussen 6 en 6.5 meestal ideaal.

© Potas development association

Bodembewerkingen

Gezond boerenverstand leert ons dat veldwerkzaamheden doen in te natte omstandigheden geen goed idee is. Dit kan er immers voor zorgen dat de bodem samengedrukt wordt en de lucht/waterverhouding wordt verstoord. De bodem krijgt een zuurstoftekort en de wortelontwikkeling gaat erop achteruit. Bij een natte bodem zijn de bindingen tussen de bodemdeeltjes fragiel zodat ze door de druk tijdens de bodembewerkingen uit elkaar vallen en de bodemstructuur verloren gaat. Te nat ploegen verhoogt ook de kans op ondoordringbare ploegzolen wat het moeilijk maakt voor plantwortels om diep door te dringen in de bodem. Naast het uitkiezen van een goed moment om de bodem te bewerken, wat in België in de praktijk niet altijd evident is, is het ook belangrijk om rekening te houden met het vermijden van erosie. Pas zoveel mogelijk de techniek van drempeltjes toe, ook op niet erosiegevoelige percelen.

Stikstofindex

Hoe kan je de behoefte aan stikstof bij een gewas correct inschatten?

Een optimale stikstofbemesting is afhankelijk van veel elementen. Perceelsgebonden factoren zoals de vruchtafwisseling, het gebruik van dierlijke mest en de grondsoort zijn van groot belang voor het inschatten van de stikstofbehoefte. Maar ook het weer heeft een invloed, want neerslag en temperatuur beïnvloeden de mineralisatie. Een optimale stikstofgift houdt rekening met de aanvoer- en verliesposten die in evenwicht moeten gebracht worden. Aanvoerposten zijn bemesting, depositie, mineralisatie van organische stof en stikstoffixatie via vlinderbloemige gewassen. Verliesposten zijn uitspoeling, afspoeling, immobilisatie en denitrificatie. Uiteraard zijn de aanvoer en afvoer teeltspecifiek en worden ze bepaald door de groeiomstandigheden. Zo zal de denitrificatie (bacteriën die nitraat omzetten naar stikstofgas) groot zijn bij zuurstofarme bodems en de ammoniumvervluchtiging hoger liggen bij bodems met hoge pH.

De N-index is een methode die perceelspecifiek een stikstofbemestingsadvies geeft voor een bepaald gewas rekening houdend met de voorgeschiedenis op het perceel. De N-index schat in hoeveel minerale stikstof er in de loop van het groeiseizoen beschikbaar zal komen voor een aardappelgewas. Zowel de bodemvoorraad bij de start van de teelt als de stikstof die vrijkomt uit mineralisatie wordt meegenomen naast 16 andere factoren. Op basis hiervan wordt dan een bemestingsadvies geformuleerd waarbij gestreefd wordt naar een economisch optimum voor de landbouwer met een zo laag mogelijke impact op het milieu. Dezelfde methode wordt gebruikt om tijdens het groeiseizoen en bv. na een verminderde basisbemesting een bijbemestingsadvies te bekomen op basis van een bodemanalyse. Zeker voor aardappelteelt is dit relevant.

Deze methodiek is interessant, maar heeft zijn beperkingen. De rekenmethode is gebaseerd op bepalingen voor de start van het groeiseizoen en gaat uit van jaargemiddelden, waardoor er geen rekening wordt gehouden met het verloop van het groeiseizoen. Een goede inschatting van wanneer de nutriënten vrijkomen is echter essentieel voor een optimale benutting. Bij dierlijke mest is een chemische analyse nodig om de exacte samenstelling te kennen. Alleen zo kan je deze nutriëntenbron volgens goede landbouwkundige praktijken toepassen in het bemestingsschema. 

Schat de noden en werkzaamheid van de zowel organische als minerale meststoffen op je perceel goed in bv. op basis van bodemanalyses.

Tijdens de teelt

Correct onderhoud van bemestingstechnieken

Bij bemesting zit het echt wel in de details. Door te werken met correct afgestelde landbouwmachines strooi of spuit je meststoffen zeer precies, en dat heeft twee grote voordelen:

  • Economisch, want de meststoffen worden toegepast waar de plant ze kan gebruiken;
  • Ecologisch, omdat het risico dat er meststoffen in de omgeving terecht komen kleiner

Technologie kan ons daar goed bij helpen. Denk maar aan bemestingstechnieken met een anti-drift systeem (voor vloeibare meststoffen), rijenbemesting, RTK-GPS om dubbele werkgangen te vermijden en een gelijkmatige verdeling over het veld te garanderen, …

Regelmatig en grondig onderhoud en reiniging van de strooier helpt er ook voor te zorgen dat de machine correct werkt en langer meegaat.

Bijmesten tijdens het groeiseizoen

Het toedienen van meststoffen in verschillende werkgangen in plaats van één grote gift heeft heel wat voordelen. Zeker in het steeds grilligere klimaat waarin lange periodes van droogte en natte maanden elkaar opvolgen, biedt het een grote meerwaarde. Een systeem van gefractioneerd bemesten heeft als voordeel dat het gewas een juiste hoeveelheid stikstof krijgt op het moment waarop het dit nodig heeft voor het behalen van de maximale opbrengst en kwaliteit. Het gewas kan de aangeboden voedingsstoffen opnemen en dus wordt uitspoeling vermeden.

Bij een bijmestsysteem (fractionering) wordt gestart met een basisgift van 50 à 70% van de geadviseerde hoeveelheid stikstof. De resterende hoeveelheid wordt gegeven in functie van de gewasbehoefte. Voor de verdeling van de resterende hoeveelheid is een tussentijdse bodemanalyse en/of aardappelmonitor nodig. Indien de basisgift bestaat uit dierlijke mest dient men rekening te houden met de werkingscoëfficient en met de maximale gift in nitraatgevoelige gebieden. Vervolgens wordt dan aangeraden om vier weken na de toediening een N-analyse te doen en vervolgens te bemesten volgens dat advies.

Tussentijdse bodemanalyse: uitgangspunten hierbij zijn het gemiddelde stikstofopnameverloop van het gewas. Dit wordt berekend op een opbrengst van 50 ton per hectare, een noodzakelijke stikstof buffervoorraad in de bodem en de stikstofmineralisatie in de bodem. Telkens de bodembuffer en de mineralisatie niet de benodigde stikstof dekken volgens de opnamecurve wordt er bijbemest tot het gewenste niveau.

Aardappelmonitoring: sensortechnologie is in staat om het reflectiepatroon van aardappelgewas nauwkeuring te monitoren. Dit reflectiepatroon is gerelateerd met de biomassa (vegetatie-index) en stikstofinhoud van het gewas. Via GPS-coördinaten worden taakkaarten gemaakt die je toelaten om bij te bemesten in functie van de regionale stikstofbehoefte van het gewas. De hoeveelheid stikstof die je toedient komt overeen met de streefwaarde van het gewas, verminderd met de gemeten stikstofinhoud die al aanwezig is.

Plaatsspecifieke bemesting

Via bodemscans kan de stikstofbemesting beter aangepast worden aan de variatie in bodemkarakteristieken binnen een perceel. Op deze wijze wordt vermeden dat bepaalde zones te veel en andere zones te weinig stikstof krijgen.

Bodemscanning maakt het mogelijk om verschillende bodemkarakteristieken van een perceel snel en vrij goedkoop in kaart te brengen. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de pH en het organisch materiaal, maar ook bepaalde nutriënten (kalium, fosfor, magnesium, …) kunnen goed ingeschat worden met de nieuwste bodemsensors (VISNIR-scans). Via GPS-coördinaten kunnen van de sensorgegevens specifieke taakkaarten worden gemaakt in functie van vruchtbaarheidsverschillen, waardoor bv. de stikstofbemesting kan afgestemd worden op verschillen in organisch materiaal en dus op verschillen in mineralisatie.

Gebruik technieken als tussentijdse bodemanalyses en monitoring om te bepalen hoeveel er bijbemest moet worden.  

Na de teelt

Vanggewassen

Vanggewassen verhinderen dat nutriënten die niet door de aardappelplant werden opgenomen, uitspoelen. Ze leggen niet alleen nutriënten vast maar brengen ook organisch materiaal aan en gaan zowel water- als winderosie tegen. Welke vanggewassen kunnen worden uitgezaaid na aardappelen hangt af van het oogsttijdstip. Bladrammenas en gele mosterd zijn vorstgevoelig en worden best voor midden- of eind september ingezaaid, raaigrassen zaai je best voor eind september (Italiaans raaigras eventueel tot half oktober onder goede groeiomstandigheden), terwijl rogge en Japanse haver tot eind oktober kunnen gezaaid worden (kalenderdata indicatief). Ook een mix van vanggewassen kan een goed idee zijn, omdat je zo altijd een soort hebt die het op een bepaald tijdstip goed doet. Het nuttige effect van vanggewassen, zoals de hoeveelheid stikstof die wordt vastgelegd, hangt nauw samen met de gevormde biomassa, die bepaald wordt door de zaaidatum en de groeiomstandigheden. Hoe vroeger gezaaid wordt en hoe meer biomassa er wordt gevormd, hoe meer stikstof de vanggewassen in de bodem kunnen vastleggen.

© BELFertil

Onderzoek wijst op een duidelijke relatie tussen de stikstofopname en de temperatuursom na de inzaai van vanggewassen. Als we ervan uitgaan dat de plant ondergronds ongeveer 15% van de stikstof opneemt van wat hij bovengronds opneemt, kan je besluiten dat een vanggewas zo’n 115 kg stikstof per hectare vastlegt wanneer het half augustus gezaaid is. Bij een latere zaai in oktober daalt die opname tot maar liefst 15 kg per hectare (opgepast kalenderaanduidingen zijn richtinggevend). Latere zaaitijdstippen zullen ervoor zorgen dat een vanggewas amper nog stikstof kan opnemen, tenzij voor wintergranen wanneer die onder goede condities kunnen kiemen en opgroeien.

Hou rekening met de vrijstelling van stikstof uit de gewasresten van de vanggewassen voor de volgende teelt. 

Ecologische voetafdruk

Je hebt ongetwijfeld al gemerkt dat de zogenaamde voetafdruk van voedselproductie en -consumptie hoog op de agenda staat. De uitstoot van broeikasgas- en stikstofemissies, voedselverspilling, … Verwerkers en retailers houden er hoe langer hoe meer rekening mee en betrekken hier ook de toeleveringsketen in. Ook voor aardappeltelers kan het dus interessant zijn om te weten hoe groot of klein je voetafdruk precies is.

Er bestaan diverse lokale initiatieven om de koolstofimpact van je landbouwbedrijf in kaart te brengen, denk bijvoorbeeld maar aan het Klimrek-project.  Eén internationale methode is de Cool Farm Tool. Dit beslissingsondersteunend instrument laat landbouwers over de hele wereld toe om hun manier van werken af toetsen en te bekijken hoe een aangepast bodembeheer voor een lagere voetafdruk kan zorgen.  Het kan je als landbouwer ook helpen om je inspanningen en resultaten op vlak van broeikasgasemissies te documenteren naar afnemers. Zo kan je bij de aardappelteelt precies zien hoeveel elke stap in het teeltproces bijdraagt tot de hoeveelheid CO2-productie.

De Cool Farm tool richt zich momenteel op broeikasgassen, biodiversiteit, watergebruik, voedselverlies en -verspilling.  De Cool Farm tool biedt boeren en bedrijven indicatoren om over duurzaamheid te communiceren, de voordelen van regeneratieve praktijken en koolstofopslag aan te tonen en te rapporteren over reductiedoelstellingen.