Inhoudstafel

Impact van stikstof

Stikstofbenutting

In het voorjaar, wanneer de aardappelplant nog klein is, heeft hij weinig stikstof nodig. Maar in het begin van de zomer (juni – juli) vergroot de stikstofbehoefte omdat de plant volop loof wil aanmaken. In die periode wordt er veel stikstof vastgelegd in de bladeren. Nadien, wanneer het loof volgroeid is, begint de plant aan de verdikking van de knollen. Dan wordt er een grote hoeveelheid stikstofhoudende voedingsstoffen getransporteerd van het loof naar de knollen. Vanaf dan neemt de plant niet meer veel stikstof op uit de bodem en kan het zelfs zijn dat er stikstof vrijgegeven wordt in de bodem. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren via afgestorven bladeren.

Hoeveel stikstof heeft een aardappel dan precies nodig? De stikstofbehoefte van een aardappel kan variëren van gemiddeld 100 tot 300 kg per hectare. Hoeveel de plant wanneer nodig heeft, hangt af van verschillende factoren. De groeifase waarin de plant zich bevindt, het type ondergrond, het ras (vroeg versus laat), het teeltdoel (tafelaardappel, frietaardappel of pootgoed), … Het is belangrijk om de stikstofgift te matigen omdat de plant anders te laat begint met het vormen van de knollen. Hou bij het maken van je bemestingsplan dus zeker rekening met de beschrijving van de aardappelrassen die je hebt gekozen. 

Onderzoek toont aan dat aardappelen gemiddeld 55% van de toegediende stikstof kunnen opnemen.

Daardoor laat het gewas vrij veel stikstof na in vergelijking met granen en wortelgewassen zoals bieten. Het niet-benutte deel van de stikstofgift neemt duidelijk toe naarmate de stikstofgift hoger ligt. Dat is de wet van de dalende meeropbrengsten. Hoe meer stikstof de plant dus aangeboden krijgt, hoe minder snel de opname ervan gebeurt.

De stikstof (onder de vorm van nitraat) die aanwezig is in de bodem maar niet wordt opgenomen door de plant, kan wegspoelen en terechtkomen in grond- of oppervlaktewater. Er is dan een risico dat de grenswaarden voor nitraat in dit water overschreden worden.

Een scenario om absoluut te vermijden dus, want verlies van stikstof is nefast voor de waterkwaliteit en kost je als landbouwer heel wat geld. Daar tegenover staat dat stikstof een belangrijke teeltfactor is voor het bereiken van een goede kwalitatieve en kwantitatieve aardappelopbrengst. Het bevordert immers de groei, de knolopbrengst en de kwaliteit van aardappelen. 

Stikstofbenutting (Nitrogen Use Efficiency of afgekort NUE), is de verhouding tussen de hoeveelheid stikstof die effectief door de plant wordt opgenomen en de totale hoeveelheid stikstof die beschikbaar is op het veld (reststikstof, organische stikstof en minerale stikstof).

Om de waterkwaliteit op peil te houden en uitspoeling van stikstof in het milieu te beperken, moet de stikstofefficiëntie worden verbeterd. Een NUE tussen 80% en 90% wordt als optimaal beschouwd. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel.

Invloed op de groei

De stikstofbemesting bevordert de loofontwikkeling en beïnvloedt dus ook de periode die de plant nodig heeft om de bodem met zijn loof te bedekken. Om de opbrengst kwantitatief en kwalitatief te maximaliseren is een zo lang mogelijke periode nodig van maximale lichtopvang (lichtinterceptie). Bij een stikstofgebrek zal de plant pas na een groter aantal groeidagen het stadium van volledige grondbedekking bereiken, of in extreme gevallen zelfs helemaal niet. Bij een te hoge N-bemesting (stikstof) wordt er meer loof gevormd dan nodig voor een maximale knolproductie. Dan is er laat in het groeiseizoen nog een grote hoeveelheid actief loof aanwezig. Dit kan leiden tot problemen met de kwaliteit en de loofdoding doordat het natuurlijke afrijpingsproces is vertraagd. Door een hoge N-bemesting wordt ook de start van de knolaanleg uitgesteld. Als je vroeg wil oogsten (bv. primeur- of pootgoedteelt) is een lagere N-bemesting nodig om een vroege knolaanleg te bekomen.

Invloed op opbrengst

© R.Khalil

Het verband tussen de knolopbrengst en de N-bemesting wordt gekenmerkt door de wet van de afnemende meeropbrengst. Dat wil zeggen dat je op een bepaald moment in de groeicyclus niet meer dezelfde groei in de knollen bereikt met eenzelfde hoeveelheid stikstof en dus wordt een deel van de toegediende stikstof niet opgenomen. Het afvlakkende gedeelte van de opbrengstcurve wordt vooral teruggevonden bij een lang groeiseizoen en is daarmee sterk ras afhankelijk. Bij een kort groeiseizoen (laat planten, vroege loofvernietiging, vervroegde afrijping door bv. droogte) worden geen hoge knolopbrengsten gemeten en wordt het afvlakkend gedeelte van de curve niet bereikt.

Invloed op de kwaliteit

De Stikstof-bemesting oefent een zeer belangrijke invloed uit op de kwaliteit van de aardappelproductie. En die kwaliteit wordt vaak bepaald door enkele elementen.

Vorm en grootte

Aardappelen worden op basis van hun grootte vaak ingedeeld in drie verschillende klassen: kleiner dan 35 mm (krieltjes of uitval), knollen tussen de 35 en 50 mm en knollen groter dan 50 mm (frieten). Deze indeling is echter afhankelijk van de voorkeur en vraag van de afnemer. Naast de sortering op grootte speelt ook de vorm van de knollen een rol. De frietindustrie ontvangt graag lange, ovale knollen groter dan 50 mm terwijl de chipsindustrie ronde knollen vraagt van de maat 40-60 mm.

De grootte en vorm van de knollen is afhankelijk van de maat van het pootgoed, de plantafstand, de beschikbare nutriënten, de variëteit en de lengte van het groeiseizoen. Hoe meer groeidagen de plant heeft, hoe groter de knollen kunnen worden.

Een ruime stikstofbemesting zorgt voor grotere aardappelen in de maatsortering (calibrage). Studies op proefvelden uit binnen- en buitenland toonden al aan dat een hogere stikstofbemesting ook grotere knollen met zich meebrengt. Meer aardappelen groter dan 55 mm dus en minder in de klasse 35-50 mm.

Droge stof

Het droge stofgehalte van aardappelknollen is een belangrijke factor voor de verwerking en kwaliteit van het eindproduct. Het heeft immers een effect op de kookeigenschappen en andere kwaliteitskenmerken zoals blauwgevoeligheid. Vastkokende aardappelen bezitten een lager droge stofgehalte dan bloemige aardappelen. Verwerkers van frietaardappelen vragen bijvoorbeeld een drogestofgehalte tussen de 20 en 24%.

Het droge stofgehalte (DS) bepalen gebeurt via het onderwatergewicht (OWG) van de knollen (DS = 0.0493*OWG + 1.95). Het onderwatergewicht ligt tussen de 300 gram (vastkokend) en 475 gram (chips).

Zowel de variëteit, het bodemtype als het verloop en de lengte van het groeiseizoen (en dus de mate van afrijping) kunnen het onderwatergewicht en dus het droge stofgehalte beïnvloeden. Maar ook de stikstofgift speelt hierin een belangrijke rol, samen met andere nutriënten als kalium en fosfor.

Het ene ras is daar gevoeliger voor dan het andere. Er zijn bijvoorbeeld nieuwe aardappelrassen op de markt die een lagere behoefte hebben aan stikstof. Het is dus belangrijk om je als teler goed te informeren over de noden van het gekozen ras en de aanbevelingen rond nutriëntengift nauw op te volgen.

Waarom is dat droge stofgehalte (DS) nu zo belangrijk voor de aardappelkwaliteit? Dat heeft onder andere te maken met het feit dat hoe hoger de DS ligt, hoe gevoeliger de aardappelen zijn voor stootblauw. Dit kan voorkomen wanneer er door een lichte beschadiging zuurstof binnendringt in het knolweefsel, waar dit voor oxidatie zorgt. Dit geeft een blauwe kleur op de aardappel en dat is zowel op de versmarkt als in de verwerkende industrie een probleem. Stikstof heeft hier een grote invloed op, maar ook de kaliumbemesting kan een rol spelen. Bepaalde variëteiten zijn gevoeliger voor stootblauw dan andere, omdat de celgrootte en snelheid van zetmeelaccumulatie verschilt.

Kook- en bakkwaliteit

Ook de kook- en bakkwaliteit worden beïnvloed. Uit bemestingsproeven blijkt dat het uiterlijk en de smaak van de gekookte aardappelen het meest positief worden beoordeeld wanneer er optimaal stikstofbemesting is gebruikt. Vooral bij hoge dosissen wordt de smaak na koken als minder goed beoordeeld bij bloemige variëteiten. Stikstof stelt immers de afrijping uit, wat bij een onvoldoende lange groeiperiode een hoger gehalte reducerende suikers zal geven. Dit veroorzaakt bruinverkleuring en zorgt voor de vorming van acrylamide tijdens bakprocessen. Voor vastkokende rassen apprecieert de consument echter een lager zetmeelgehalte en dus meer reducerende suikers.

© BELFertil.

De aardappelknol bevat zowel glucose als fructose. Tijdens het bakproces reageren deze suikers met vrije aminozuren (vooral asparagine en glutamine) wat leidt tot een bruine bakkleur. Elke verwerker heeft zijn voorkeuren wat de bakkleur betreft.

De hoeveelheden glucose en fructose zijn afhankelijk van de afrijpingsgraad van de knol (hoe minder rijp, hoe meer reducerende suikers), de variëteit en de lengte van de groeiperiode. Maar ook hier speelt het bemestingsniveau een belangrijke rol.